Publicatiedatum: 5/2/2001

Hoe drukker het verkeer, hoe hoger de waarde


Ondanks rationalisering van de internetmarkt is sentiment niet uit waarderingsvraagstuk van dotcommers te bannen

Internetbedrijf Letsbuyit ging in juli 2000 naar de beurs, naar de Neuer Markt in Frankfurt. Op dat moment was Letsbuyit euro 115 mln waard. Een aantal maanden daarvoor staken investeerders voor de laatste keer geld in het internetbedrijf, gebaseerd op een bedrijfswaarde van bijna euro 200 mln. Op dit moment is de beurswaarde van het in surseance verkerende Letsbuyit nog slechts euro 42,7 mln.
Voor wie de pieken en dalen van de Nasdaq kent, is het relaas van Letsbuyit niets bijzonders. Zoals voor Gerard Montanus bijvoorbeeld, partner bij durfkapitalist Atlas Venture. 'Op basis van de marginale omzet van Letsbuyit was die waardering tijdens de laatste investeringsronde niet te rechtvaardigen', meent hij. Venture capitalists kijken echter niet alleen naar financiŽle criteria, maar laten zich voor een belangrijk deel leiden door vergelijkbare internetbedrijven met een beursnotering, die begin vorig jaar niet zelden op een beurswaarde konden bogen van $ 1 mrd of meer. Montanus: 'Als de markt dan standhoudt, kun je vier of vijf keer je geld terugverdienen. Maar als de markt in elkaar klapt, zijn ook je waarderingscriteria niets meer waard.'
Het jaar 2000 heeft aangetoond dat niet de financiŽle parameters, maar het marktsentiment en andere subjectieve criteria de waardering van (internet)bedrijven bepalen. Objectieve standaarden zijn ver te zoeken. Op zich geen nieuws. Durf- en beurskapitaal wordt niet verstrekt op basis van wetenschap, de geldschieters lopen altijd een zeker risico. Maar de enorme invloed van het sentiment heeft wel een belangrijke vraag opgeworpen: Hoe bepaal je de eigenlijke waarde van een technologiebedrijf?
Consultancyorganisatie Arthur Andersen doet een poging om de waardering van bedrijven uit de nieuwe economie te objectiveren. Uit een onderzoek van de Amerikaanse University of Washington-Stanford naar de relatie tussen de acquisitieprijs van webbedrijven en webtraffic-cijfers (internetverkeer) is gebleken dat deze cijfers voor 77% de variatie in de acquisitieprijs bepalen. 'Simpel gezegd, als er meer mensen langs de virtuele etalage van een internetbedrijf lopen, is dat bedrijf meer waard', zeggen consultant Hans IJkel en partner Dirk-Jan van de Poel van Arthur Andersen.
De traditionele financiŽle waarderingscriteria uit de balans en winst- en verliesrekening voldoen volgens Van de Poel niet meer. Voornamelijk omdat een groot deel van de bezittingen van een internetbedrijf immaterieel zijn. Computerhardware is nog wel in harde guldens uit te drukken, maar bij een bedrijfsplan, de opzet van een website, de prestaties en ambities van het management en het personeel ligt dat heel anders. Omdat Arthur Andersen veelvuldig betrokken is bij de waardebepaling van dotcommers, ging IJkel op zoek naar de rol van internetverkeer in de bedrijfswaarde.
Hij kwam al snel tot de conclusie dat internetverkeer voor een webbedrijf net zo belangrijk is als de oplage voor een krant of tijdschrift. Ook hier geldt: hoe groter de oplage, hoe hoger de bedrijfswaarde. Maar het grote probleem in de nieuwe economie is: hoe meet je objectief het internetverkeer dat een webbedrijf aantrekt? Professionele bureaus als Media Metrix en Nielsen Netratings laten onderling grote verschillen zien. Die verschillen worden veroorzaakt door de diverse meetmethoden en indicatoren.
IJkel stelt voor een eenduidig criterium te ontwikkelen voor webtraffic op basis van drie vaak gebruikte indicatoren: het aantal unieke bezoekers per maand, de 'stickiness' van de site (hoe vaak komen bezoekers terug en hoeveel pagina's bekijken ze) en de duur van het bezoek. Het cijfer dat daaruit rolt moet wel zuiver zijn, dus invloeden die het zicht op het werkelijke aantal bezoekers verstoren moeten eruit gefilterd worden. Dat is een hele klus, omdat zoekmachines 'spiders' inzetten die geautomatiseerd websites catalogiseren en scannen op inhoud.
Maar uiteindelijk zijn de schone cijfers bruikbaar volgens IJkel. Vooral voor investeerders en beleggers, omdat ze de omvang, de groei en de tevredenheid van klanten (bezoekers) van een website aangeven.
Investeerder Montanus van Atlas Venture is niet overtuigd van het nut van webtraffic-cijfers. 'Mijn indruk is dat de invloed van die cijfers in waarderingsvraagstukken juist afneemt. Webtraffic zegt namelijk niet zoveel over de werkelijke klandizie. Het is misschien een element, maar zeker niet het meest dominante.' Hij wijst er juist op dat de traditionele waarderingscriteria aan gewicht winnen. 'Nieuwe economie'-bedrijven worden door analisten ook niet meer apart behandeld. 'Voorheen waren er e-commerce analisten, terwijl op dit moment een supermarkt op internet gewoon door retailanalisten wordt gevolgd.' Dat betekent dat webbedrijven moeten voldoen aan alle gebruiken en standaarden waar 'oude economie'-bedrijven uit dezelfde sector ook aan moeten voldoen.
In tegenstelling tot Montanus, meent Arthur Andersen wel degelijk dat webtraffic een belangrijke rol speelt bij waardering van e-commercebedrijven. 'De factor internetverkeer staat in de toptien en is zelfs een van de hardere criteria, omdat het aangeeft wat het vermogen van een website is', zegt Van de Poel. Behalve webtraffic, kijken de rekenmeesters van Arthur Andersen ook naar zaken als het businessplan, aanwezige kennis en management.
De vraag is welk gewicht het criterium internetverkeer dan heeft in de waardering van een bedrijf. Van de Poel: 'Of dat 10% of 80% is? Geen idee. Dat heeft weer te maken met het sentiment. Sentiment is niet uit waarderingsvraagstukken te bannen. Als investeerders per se een belang in een bepaald type technologiebedrijf willen kopen, zullen ze het hoger waarderen. De wil om te kopen is erg belangrijk.'

roy op het veld

Copyright(c) 2000 Het Financieele Dagblad